Inzet beroepskrachten

Voor de bepaling van het aantal beroepskrachten dat ingezet moet worden op een groep zijn de volgende bepalingen binnen de Wet Kinderopvang, Beleidsregels kwaliteit kinderopvang, het Convenant Kwaliteit kinderopvang en de CAO kinderopvang van belang:

  1. de Beroepskracht-kindratio (BKR): de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk aanwezige kinderen; de BKR wordt bepaald door enerzijds het aantal aanwezige kinderen, anderzijds de leeftijd van de aanwezige kinderen:
  2. de 3-uursregeling: afwijken van de BKR gedurende maximaal drie uur per dag is toegestaan bij openingstijden langer dan 10 uur per dag
  3. het 4-ogenprincipe
  4. de achterwachtregeling/calamiteitenregeling

 

Uiteraard voldoen de kinderdagverblijven aan bovenstaande bepalingen.

Ad 1.   BKR en inzet beroepskrachten, beroepskrachten in ontwikkeling/opleiding
“Het aantal beroepskrachten (……) bij een gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van het rekenkundige gemiddelde van de voor de aanwezige leeftijdscategorieën gelden maximale aantallen kinderen, waarbij naar boven mag worden afgerond.”
In de praktijk van Madelief en Sterre betekent dit dat er in principe gedurende het grootste deel van de dag tenminste twee beroepskrachten tegelijk aanwezig zijn. Aan het begin en eind van de dag kan veelal met een beroepskracht minder worden volstaan, zie ook punt 7.2. Op dagen/dagdelen dat het aantal kinderen èn de leeftijdssamenstelling het toelaten, wordt volstaan met één beroepskracht. Uiteraard wordt er dan voor gezorgd, dat voldaan wordt aan de bepalingen omtrent het vier-ogenprincipe en de achterwachtregeling/calamiteitenregeling (zie punt 3 resp. punt 4).
De bovenformatieve resp. formatieve inzet van beroepskrachten in ontwikkeling en beroepskrachten in opleiding (MBO/HBO, BBL/BOL) geschiedt conform de voorwaarden vastgelegd in de CAO Kinderopvang. De beslissing wanneer welke taken door welke beroepskrachten in ontwikkeling/opleiding mogen worden uitgevoerd is expliciet en uitsluitend voorbehouden aan de praktijkopleider in samenspraak met de directeur. Inzet is mede afhankelijk van en gebaseerd op studievorderingen en persoonlijkheid van de betreffende beroepskracht in ontwikkeling/opleiding.

Ad 2.   de 3-uursregeling
De 3-uursregeling is de regeling waarbij kinderopvangorganisaties die minimaal 10 uur opvang op een dag aanbieden gedurende drie uur per dag mogen afwijken van de BKR-eisen. Voorbeeld: als het aantal kinderen of de leeftijdsopbouw van de groep de inzet van twee beroepskrachten vereist, mag gedurende drie uur per dag volstaan worden met één beroepskracht. De regel is in het leven geroepen zodat pedagogisch medewerkers niet te lange dagen maken zonder pauze.
Bij Sterre en Madelief wordt de 3-uurregeling als volgt toegepast:
Op dagen dat twee beroepskrachten worden ingezet:
voor de ochtendpauze en de middagpauze van de beroepskracht (ieder een kwartier), in de regel tussen 09.30 en 10.00 uur, respectievelijk tussen 14.00 en 14.30 uur,
voorts ’s ochtends tussen 08.15 uur en 09.00 uur en ’s middags tussen 16.45 uur en 18.00 uur.
Op dagen dat drie beroepskrachten worden ingezet:
voor de ochtendpauze en de middagpauze van de beroepskracht (ieder een kwartier), in de regel tussen 09.30 en 10.15 uur, respectievelijk tussen 14.00 en 14.45 uur,
voorts ’s ochtends tussen 08.00 uur en 08.30 uur en ’s middags tussen 17.00 uur en 18.00 uur.
Buiten de genoemde tijdspannes wordt de 3-uursregeling in principe niet toegepast. Indien de zorg voor de kinderen het vereist, kan op ieder moment van deze tijdspannes worden afgeweken, omdat de zorg voor de kinderen altijd prioriteit heeft.

Ad 3.   het 4-ogenprincipe
Het 4-ogenprincipe betekent dat altijd een volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren bij een beroepskracht in de kinderopvang: ’’Het 4-ogenprincipe is voor convenantpartijen de basis voor veiligheid in de kinderopvang. De uitwerking van dit 4-ogenprincipe is maatwerk. De invulling zal voor iedere organisatie anders zijn, passend bij het pedagogisch beleid en financiële haalbaarheid.’’ (Brancheorganisatie kinderopvang & BOinK, 2012). Het vier-ogenprincipe is ingevoerd per 1 juli 2013 op advies van de commissie Gunning, n.a.v. de zedenzaak bij een kinderdagverblijf in Amsterdam.
Om invulling te geven aan het 4-ogenprincipe heeft Kids’ Companion BV de volgende personele en bouwkundige voorzieningen getroffen:

Personele voorzieningen:
Uitgangspunt is de BKR en de 3-uursregeling (zie punten 1 en 2). In principe zijn er het grootste gedeelte van de dag twee, soms drie pedagogisch medewerkers op de groep. Op het moment dat het aantal kinderen en de leeftijdssamenstelling het toelaat dat slechts één beroepskracht wordt ingezet, is altijd een tweede volwassene (beroepskracht, de locatiemanager of de directeur) in de buurt (op maximaal 15 minuten afstand). Deze tweede volwassene komt ook langs op onverwachte, onaangekondigde en steeds wisselende momenten.

Aanvullende bepalingen op het gebied van personeel zijn:

  • iedere medewerker binnen Kids’ Companion BV dient in het bezit te zijn van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Dit geldt tevens voor MBO/HBO-stagiaires;
  • in het personeelsbeleid is bepaald dat leidsters alleen foto’s mogen nemen van kinderen in het kinderdagverblijf of de buitenspeelruimte met het speciaal daarvoor aanwezige fototoestel; de eigen mobiele telefoon blijft in de garderobe en mag alleen onder door de directeur bepaalde voorwaarden de zaal in;
  • tussen 7.30 uur en 09.00 uur worden de kinderen gebracht, tussen 16.30 uur en 18.00 uur worden de kinderen gehaald: er lopen derhalve veel ouders in en uit om hun kind te brengen of te halen waardoor een beroepskracht niet alleen is;
  • het feit dat niet voorspelbaar is hoe laat en hoeveel ouders hun kind komen brengen of halen zorgt ervoor dat een beroepskracht zich niet onbespied of ongecontroleerd kan voelen.

Bouwkundige voorzieningen:

  • de groepsruimte is rondom voorzien van grote ramen, zodat er altijd van buiten naar binnen gekeken kan worden; het is niet toegestaan de ramen dicht te plakken met werkjes, versieringen of mededelingen;
  • de groepsruimte is zo ingericht dat de beroepskracht de ruimte in zijn geheel kan overzien;
  • de slaapkamers zijn voorzien van een raam: wanneer een beroepskracht in de slaapkamer is, kan een collega altijd naar binnen kijken;
  • wanneer een beroepskracht in de slaapkamer is, blijft de deur open;
  • de wc-ruimte van de peuters bevindt zich aangrenzend aan de groepsruimte, de wc-deur blijft altijd open als een kind daar is;
  • de commode staat in de groep, zodat er altijd zicht op is;
  • vanuit de groepsruimte is de buitenruimte goed te overzien, de collega die binnen is, houdt mede toezicht op het buitenspelen.
  • de buitenruimte is zichtbaar vanaf de weg en de omringende woningen; deze zichtbaarheid moet zo min mogelijk belemmerd worden; van de omwonenden wordt niet directe betrokkenheid verwacht, er gaat wel een mate van sociale controle van uit.

Ad 4.   de achterwachtregeling/calamiteitenregeling
Artikel 5 van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 schrijft voor dat ieder kinderdagverblijf een achterwachtregeling heeft: “Indien op grond van het zevende of achtste lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen 15 minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.”

Hierbij heeft Kids’ Companion BV de volgende maatregelen getroffen:

  • bij calamiteiten kan de achterwacht binnen 15 minuten aanwezig zijn (ambulance-aanrijtijd);
  • een lijst met telefoonnummers van mogelijke achterwachten hangt op een vaste, voor beroepskrachten en ouders bereikbare plaats in het gebouw, namelijk naast de voordeur;
  • zowel beroepskrachten als ouders zijn op de hoogte van deze lijst en de plaats ervan.